max schneider

Enkele voetnoten bij mijn wereld


1 reactie

DRIE VORMEN VAN WETEN Herman de Dijn uitg Polis isbn 978-94-6310-228-5

Emeritus hoogleraar filosofie Herman De Dijn ziet drie vormen van weten, de ethische, de wetenschappelijke en de moraalfilosofische. Allerlei, historisch gezien nieuwe, maatschappelijke, medische en bio-issues vragen onze ethische aandacht. Met lede ogen ziet hij de hedendaagse trend aan die ethisch vragen tracht te beantwoorden door beroep te doen op wetenschap en rationaliteit. Voor hem staat eerder de menselijke waardigheid en het speciale statuut centraal dan enkel het welzijn van de mens.

Ik ken de auteur niet persoonlijk, maar tijdens lezingen komt hij me over als een wel heel ernstig kijkend man die nogal knorrig reageert op vragenstellers die de euvele moed hebben een vraagteken te plaatsen bij een van zijn stellingen. Dat hoeft niets met een recensie te maken hebben, ware het niet dat ik hetzelfde gevoel ervaar tijdens het lezen van dit boek. Je voelt zijn sterke morele – en niet alleen technische – afkeuring bij bepaalde vormen van ethiek die zich baseren op de rationaliteit om de moraal te funderen. Hij vindt het dus niet alleen fout geredeneerd, maar vooral kwalijk geredeneerd.

Hoe dan ook, dat hoeft de pret niet te bederven want een boek van De Dijn staat altijd garant voor een helder, stapsgewijs opgebouwd betoog met een stevige basis. Het lijkt me juist een boeiend boek voor iemand die het niet met de auteur eens is. Niets zo efficiënt voor het trainen van de denkspieren als een intelligente opponent.

Zo’n vakkundig geconstrueerde stelling kan dan weer het effect hebben dat  de doorsnee lezer al te gemakkelijk aanneemt dat het allemaal wel zal kloppen. Intelligentie en heldere analyse alleen betekent echter niet dat iemand het per definitie bij het rechte eind heeft.

Nu is het “weten” waar men het vaak over heeft, hoe dan ook precair. Zelfs het “weten” uit de wetenschap gaat over “ onze voorlopig meest betrouwbare kennis.” In de wijsbegeerte gaat het al bergaf met het “weten” want dan spreken we over een plaats in een spectrum van weten. Om dan nog te zwijgen over het religieus “weten” dat gelovigen baseren op een zelfervaren epifanie of een boek uit de vroege middeleeuwen. Wat niet moet betekenen dat we dan maar meegaan in de postmoderne onzin dat de waarheid niet zou bestaan. Er bestaan wel degelijk graden van waarschijnlijkheid en betrouwbaarheid in kennis.

Waar maakt De Dijn zich zo druk over en hoe zou het dan wel moeten?

Maatschappelijke attitudes in verband met bijvoorbeeld abortus, euthanasie, genderkwesties enz … veranderen snel de laatste decennia. Ook de snelheid waarmee de wetenschap evolueert zorgt voor vragen rond bio-ethiek (eiceldonatie, bio-engeneering, fertiliteitsgeneeskunde enz… ) die dertig jaar geleden nog niet aan de orde waren. Naar goede gewoonte strompelt de wetgeving daar allemaal ruim laat achteraan, maar dat terzijde. En daar moeten wij dus allemaal iets van vinden. Op het spectrum tussen goed en kwaad, zeker verbieden of zeker toestaan,  moeten wij een positie innemen als iemand ons de vraag stelt: wat vind je van bijvoorbeeld eiceldonatie? Uw antwoord zal waarschijnlijk beginnen met een variatie op: dat hangt ervan af. De wetgever moet echter al die mitsen en maren in een tekst gieten. Die gaan daarvoor te rade bij moraalfilosofen en die proberen de moraal te funderen, een stevige basis te geven. Die onderzoeken met andere woorden uit waarom het goed is om zus te doen en het verboden zou moeten zijn om dat te doen.

En…wat had je gedacht? Die antwoorden, daar is niet iedereen het over eens. Er bestaan ook andere posities, maar De Dijn verdeelt de zaak in twee soorten ethiek: de revisionistische en de commonsense. De revisionistische ethiek wil het oude systeem herzien en hij verwerpt die stelling. Deze vorm fundeert door te focussen op de autonomie van de mens, het niet-schaden en het streven naar meer welzijn met minder lijden en pijn. Ze baseren zich daarbij op de wetenschap en de rationaliteit om met zo weinig mogelijk lijden zoveel mogelijk welzijn te realiseren. Uiteraard zonder pro pijn en lijden te pleiten, verdedigt De Dijn de commonsense of reële ethiek die focust op de menselijke waardigheid en de morele intuïties die eventueel niet altijd rationeel te funderen zijn.

Omstandig onderbouwt de auteur uiteraard zijn positie en legt uit waarom de anderen dwalen. Ik kies er bewust voor om geen samenvatting te geven, want inhoudelijk en qua gevoeligheden valt de tekst enkel te vatten bij heuse lectuur. Zeer kort door de bocht komt het er op neer dat De Dijn beweert dat het rationeel streven naar meer welzijn en minder lijden een ‘kale’ moraal oplevert. Hij wil een moraal die de waardigheid en het speciale statuut van de mens en het mens-zijn betracht, waarbij intuïties meer doorwegen dan wetenschappelijke of rationele bevindingen.

Hoewel de auteur beweert zich niet te beroepen op religieuze of metafysische krachten om het uitzonderlijke statuut van de mens in de natuur hard te maken, heb ik sterk de indruk dat de verlaten godsdienstigheid nog altijd een sterke schaduw over zijn denken werpt.

Iemand die geboeid is door de materie doet er goed aan het boek te lezen. En eventueel te herlezen, want de tekst is weliswaar voor een breed publiek bedoeld, maar een zekere vertrouwdheid met discursieve teksten lijkt me toch handig. Laat u niet afschrikken, maar neem er de tijd voor.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties


2 reacties

Spraakverwarring rond verschoon- en taboewoorden

Ik kijk met afwachtende verbazing naar de jongens en meisjes uit de zachte sector die zich afvragen hoe ze in hun brochures een of andere handicap, sorry beperking, nu weer gaan benoemen. Het vorige verschoonwoord is immers opnieuw onbruikbaar geworden omdat het alweer blijkt te kwetsen.

Ik hoorde laatst een moeder pleiten om haar zoon met een ernstige verstandelijke beperking ‘ neurologisch divers ‘ te noemen. Als ik haar daar plezier mee kan doen, waarom niet; zo slecht is mijn karakter nu ook weer niet.  Als door de normale woordinflatie binnen afzienbare tijd die verzachtende omschrijving toch ook weer kwetsend geworden is zal ik opnieuw met plezier de omschrijving gebruiken die ze dan zullen fabriceren. Maar inderdaad, woordinflatie zorgt ervoor dat woorden iets anders gaan betekenen of minstens een andere gevoelswaarde krijgen. Debiel was bijvoorbeeld een gewone technische term uit de psychologie. Na verloop van tijd verbloemen de woorden nog onvoldoende en moet de taalgebruiker mee opschuiven; vroeger vond je iemand die neurologisch divers was in een gekkenhuis, dan in een krankzinnigengesticht, vervolgens in een psychiatrische inrichting, een psychiatrisch ziekenhuis om dan uiteindelijk in een psychiatrisch centrum terecht te komen. Toen ik jong was waren er onderontwikkelde landen, maar dat bleken enkele jaren later minder ontwikkelde landen te zijn die ontwikkelingslanden werden om vandaag de derde wereld te vormen. Voor alles wat gevoelig ligt of zou kunnen liggen bestaat er wel een lijstje: vroeger was je een gebrekkige, toen werd je gehandicapte, mindervalide, andersvalide en vandaag ben je een persoon met een beperking.

Het liet zich voorspellen dat bij de herinrichting van het vernieuwde Africamuseum ook de voorbijgestreefde koloniale woordenschat aan vernieuwing toe moest zijn. Terecht zou je zeggen, maar nadat ze er een wetenschappelijk commissaris op losgelaten hadden, kreeg je het volgende: jungle wordt tropisch regenwoud, hut wordt huis, stammen zijn etnische groepen, Hottentot wordt Khoisan en de mooiste, slaaf wordt ‘mens die verhandeld wordt als koopwaar.’ En wat vindt u van deze: tamtam wordt spleettrommel…ik verzin het niet ( Antropologe  Bambi Ceuppens in DS 4/9/18.)

Het eufemisme werd niet de laatste jaren uitgevonden, maar ik heb toch de indruk dat er een versnelling optreedt. Verschoonwoorden bestaan al sinds de mens de zaken mooier wil voorstellen dat ze in werkelijkheid zijn. Het N-woord is al een hele tijd absoluut verboden, terwijl het oorspronkelijk zonder veel bijbedoelingen gebruikt werd als je iets over Afrikaanse mensen wilde zeggen. De blanke blijkt dan weer wit geworden te zijn omdat blank iets teveel onterechte zuiverheid impliceert.  

Of gaat het misschien helemaal niet over een werkelijkheid die mooier moet voorgesteld worden? Gaat het over een terecht moreel voortschrijdend inzicht waarbij de taalgebruiker zelf aanvoelt dat de connotaties die bij een woord horen gewild of ongewild denigrerend zijn?

Of gaat het over een opgeëist recht op lange tenen waarbij iemand de kans ziet eigen lichtgeraaktheid uit te vergroten tot een racistisch isme? Laat me raden, het zal een en/en-verhaal zijn. Maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat er vandaag  meer aan de hand is. Goede bedoelingen hebben immers vaker de neiging om door te schieten. Het zijn trouwens niet altijd de achtergestelden zelf die verongelijkt reageren. Dikwijls zijn de luidste eisers mensen die, tevreden met zichzelf, de gediscrimineerde medemens paternalistisch in verdediging nemen en vanop hun morele heuveltje neerkijken op iedereen die niet voldoet aan hun hoge ethische standaards.

Valt er een analogie met de #metoo-beweging te bespeuren? Daar zie je ook protest, dat aanvankelijk meer dan terecht was, uitmonden in verontwaardiging over de ongevraagde kus van de sprookjesprins op de lippen van de Schone Slaaptster. Of de verpreutsing die toeslaat op l’Ile du Levant waar nudisten nochtans al decennia rondliepen in het kostuum dat ze van God gekregen hadden.

Het wordt een stukje met meer vragen dan antwoorden. Ik voel bij die taalgevoeligheden wel iets; ik vind daar wel iets van, maar wat hebt u daar aan? Morele kwesties zijn immers verdomd moeilijk met een bewijs te beslechten. Het is niet dat de ene mening niet beter onderbouwd en waardevoller kan zijn dan de andere, maar toch. Pakweg binnen dertig jaar vragen we ons misschien af hoe we het anno 2018 in ons hoofd haalden om over vlees eten te spreken als een gewone culinaire voorkeur en niet als een vorm van moord vergelijkbaar met antropofagie. Veranderende betekenissen spelen niet alleen een rol in de wereld van de gevoeligheden en connotaties rond de gediscrimineerde medemens, maar ook in sociologie en dus in de politiek. Daar kun je zonder het zelf te beseffen zomaar in een andere sociale klasse terecht komen.

Ik geef toe, het verbaasde me ook, want ik had het met mijn pensioentje niet meer verwacht, om tot de elite gerekend te worden. Als je uit het volk komt, hard werkt, goed spaart en dan tot de lagere middenklasse doorstoot, tot daar aan toe, maar de elite. Neen, ik had het niet zien aankomen. Met de nieuwe invullingen van categorieën als ‘het volk’ en ‘ de elite ’ hebben ze het dan ook niet over financies. Je kan volks, zelfs een beetje plebejisch zijn met een dikke bankrekening en je kan net zo goed tot de verfijnde elite behoren zonder een rooie duit. Het hangt er allemaal maar vanaf wie het woord in de mond neemt en in welke context dat gebeurt. Het kamp waartoe de commentator behoort bepaalt of het een scheldwoord, dan wel een geuzennaam is. Let goed op de context en de lichaamstaal als iemand je bijvoorbeeld een Gutmensch noemt. Valt het mee dan is het een geuzennaam en bedoelt hij dat je, niettegenstaande de verharding van de maatschappij toch het hart nog op de juiste plaatst hebt zitten. Waarschijnlijk bedoelt hij ter linker zijde. Soms echter, krijg je het woord toegesnauwd, voorafgegaan door ‘politiek correcte.’ Dan bedoelt je gesprekspartner dat je een naïeveling bent die niet wil inzien dat al die moreel hoogstaande hulpvaardigheid en tolerantie mee verantwoordelijk is voor de invoer van religieus geïnspireerde ongein.

Wie behoort er dan tot die elite of tot het volk? Twee woorden die hun taak in onze taal jarenlang probleemloos volbracht hebben en nu zodanig overvuld geraken met betekenissen dat je er een definitie bij nodig hebt. Het is trouwens ook niet zo eenvoudig een goed sluitende en compacte definitie te geven want dit soort containerbegrippen betekenen na een tijdje alles en dus niets meer.

Geen definitie, maar een onvolledige opsomming van dikwijls voorkomende kenmerken dan maar: als je tot de elite behoort, dan is de kans groot dat je hogeropgeleid bent, de kinderen in de bakfiets naar een systeemschool brengt, dat je milieubewust en zeer tolerant bent, dat je in je eigen biotoop heel wat gekleurde mensen maar weinig arbeiders vindt. Je begrijpt niet hoe overwegend arme mensen voor Trump, Brexit  of extreemrechts kiezen. Je hebt hoe dan ook minder contact met dat proletariaat dat je nochtans beweert te respecteren en verdedigen. Je stelt met klem dat niet àlle migranten problemen veroorzaken, dat niet àlle moslims terroristen zijn;  je zegt dat op verwijtende toon en gebruikt woorden als monolithisch, discriminatoir en amalgaam. En vooral je stemt rood, groen of eventueel lichtblauw.

Behoor je tot het andere kamp dan ben je soms wel, maar meestal niet hogeropgeleid. Je begrijpt niet dat de overheid zich blijkbaar meer zorgen maakt over genderneutrale toiletten of drie opgehakte bomen dan over jouw koopkracht en jobzekerheid. Politici van de partij waar jij, je ouders en grootouders altijd voor gestemd hebben spreken jouw taal niet meer. Uit frustratie stem je voor Trump, Brexit of extreemrechts. Je wilt best aannemen dat niet alle migranten problemen veroorzaken, maar je kunt alleen een exotische buurt betalen waar wél problemen zijn. Milieubewustzijn, allemaal goed en wel, maar waarom heb je dan het gevoel dat jij zowat de enige bent in je gekleurde straat die zijn huishoudelijk afval gesorteerd op de stoep zet? En vooral, je aanhoort verbitterd de verwijten van de elite vanwege jouw ruk naar rechts.

Natuurlijk moet je nog altijd op de context blijven letten want om de taalonduidelijkheid te laten voortduren bestaan de ‘oude’ betekenissen van volk en elite ook nog altijd.

Waarschijnlijk hebben die supersnelle betekenisveranderingen en bijhorende woordinflatie iets te maken met de sociale media en hun onpersoonlijkheid. Aan een gewone ouderwetse cafétoog laat je het wel uit je hoofd om iemand een racist of nazi te noemen als zijn mening je niet aanstaat. Aan de wereldwijde internettoog heb je dat onvriendelijk bedoelde epitheton te pakken zodra je meer dan twee vraagtekens plaatst bij de zegeningen van de multiculturaliteit.

En? Weet u al of u tot de elite of het volk behoort? Laat me opnieuw raden… het is een en/en-verhaal.

 


3 reacties

Napels zien en dan sterven

‘Een mens die Napels heeft gezien kan nooit meer treurig zijn’ schrijft Goethe. Was het maar waar. In het Italiaans ‘Vedi Napoli e poi muori ‘ klinkt het zoals altijd lieflijker, maar laat je niet beetnemen door de klank.

Als ik nog iets wil zien voor ik ga sterven, dan toch liever iets anders. Ga naar Firenze, Lucca, Perugia, Milaan, Rome, nu ja, érgens in Noord Italië, maar niet naar Napels. Noord en Zuid Italië, het lijken wel twee verschillende landen. Het is nochtans één land met dezelfde wetten, maar in het Zuiden heeft men ervoor gekozen die niet toe te passen, laat staan de naleving te controleren en af te dwingen. Verkeersregels, signalisatie, ononderbroken witte lijnen, zebrapaden en rode lichten, ze bestaan, maar zijn facultatief; ze worden je meegegeven bij wijze van vrijblijvende informatie. Je kijkt maar wat je ermee doet. Tachtig à negentig procent van alle wagens heeft lichte blikschade en krassen. De nochtans vriendelijke, warme en zelfs galante Napolitanen veranderen in een bende wilde bavianen zodra je ze twee of vier wielen geeft. Hier krijgt het, toch al misselijk makend, eufemisme: ‘sportief rijden’ een geheel eigen invulling, waarbij onze eigen breinloze verkeersmacho’s rustig verdertuffende doedjes lijken.

Met de persoonlijke hygiëne van de Napolitanen is er absoluut niks mis, maar de stad en de omgeving is ronduit smerig. En dat hebben ze aan zichzelf te danken. Ik heb het niet over een pittoreske en gezellige rommeligheid die wij in onze koude Noordelijke kikkerlandjes zo missen. Dertig of meer jaren van we-arrangeren-dat-wel en dat-komt-wel-in-orde hebben voor een berucht geworden afvalverwerkingsprobleem gezorgd waar niemand nog een oplossing voor ziet en dat van tijd tot tijd opnieuw in de internationale pers opduikt. Afval wordt sporadisch of niet opgehaald en belandt langs de weg. Miljarden van de overheid en Europa die een decennia  aanslepend probleem dan toch uiteindelijk moesten oplossen zijn toch wel verdwenen zeker. Zonder begin van een, zelfs maar tijdelijke, oplossing. Zonder één verbrandingsoven of verwerkingsfabriek te bouwen. Hoe zou dan nu toch zo gekomen zijn? U mag driemaal raden, maar de woorden overheid, zakenwereld en maffia komen in verschillende melanges voor in het antwoord.

Sociologen, politicologen, of misschien beter meteen criminologen moeten dat maar eens uitzoeken. Ik vermoed dat de uitdrukkingen: ‘duidelijke, afdwingbare afspraken’ en ‘geldkranen dicht tot…’ ook in de verslagen zullen opduiken.

Dat is wat een week vakantie in Napels doet met een mens. Hint: ga nooit aan de slag met een huurauto in die contreien.


Een reactie plaatsen

Een verschil dat er toe doet

Er is een verschil tussen twee soorten ethiek dat voor nogal wat conflicten zorgt, maatschappelijk én in het eigen hoofd. Ik heb het natuurlijk over de publieke en de private moraal, of zoals Max Weber het noemde, het verschil tussen de verantwoordelijkheidsethiek en de gewetensethiek. Hoewel dat verschil altijd bestaan heeft en waarschijnlijk zal blijven bestaan, geven de normale gezonde spanningen tussen beide in de ene historische periode meer botsingen dan in de andere.  Twee vormen van ethiek die in ideale omstandigheden samenwerken en voor beschaving zorgen, lijken vandaag regelmatig op ramkoers te liggen.

Het gaat niet over een zuivere en een minder zuivere vorm, noch over beter of slechter en al helemaal niet over juist of verkeerd. Beide hebben een ander doel en in het civilisatieproces hebben we ze beide nodig. Sterker, ze beïnvloeden elkaar en vullen elkaar aan.

De persoonlijke moraal bekommert zich om de normen en waarden die we vanuit onze opvoeding, cultuur en traditie meegekregen hebben. Daarmee gaan we onze oordelen, daden en attitudes kleuren. Het levert ons een innerlijk ‘moéten’ op, waarmee we de vraagstukken van goed en kwaad te lijf gaan. Wat zou Jezus doen, zegt de gelovige. Kant noemt het een imperatief, categorisch omdat we ons niet mogen afvragen of we er zelf voordeel uit betrekken. Je kijkt in de ogen van de vluchteling en ontmoet een mens. Le Autre, de Ander, met hoofdletter, maakt Levinas er postmodern ingewikkeld van. Onuitgesproken weet je dat die Ander, niettegenstaande eventueel gigantische culturele verschillen, een verhaal heeft dat je zou kunnen begrijpen en waarin je jezelf zou kunnen herkennen. Je helpt, en als je het niet doet, wéét je dat je verkeerd zit. Dat is de private, individuele moraal. Die zit op ieders schouder en de ene heeft er meer ‘last’ van dan de ander.

De private moraal vraagt zich, met Kant, af: Wat moet ik doen? om in orde te zijn met mijn geweten. Wat verlangt mijn hart van mij?

De publieke verantwoordelijkheidsethiek heeft een andere opdracht, focust op de relaties binnen en tussen groepen in het globale plaatje en vraagt zich dus af: hoe moeten we handelen, niet alleen tegenover de vluchtelingen, maar ook tegenover de maatschappij waarin die terecht zullen komen. Het beleid kan niet anders dan hier, eventueel het hart, maar toch ook het hoofd te laten spreken. De publieke moraal lijkt minder empathisch en daardoor minder sympathiek, maar dat is een oneerlijke veroordeling. Tenslotte moeten er hier ook andere vragen gesteld worden zoals: hoe gaan we dat organiseren? werkt massale instroom niet ontwrichtend? geven we extreem rechts geen cadeau? komt Europese solidariteit onder spanning? wat doen we met import van wetenschappelijke achterlijkheid en godsdienstige miserie?  waarop gaan we besparen om een en  ander te betalen?

Die vragen lijken, zijn misschien wel, koud en afstandelijk als u ze stelt in uw private moraal en u kunt er zelf voor kiezen het hart boven het hoofd te laten spreken, maar als globale beslissers dat ook doen valt niet te voorzien hoe het gaat aflopen. Die kunnen niet anders dan kosten, maatschappelijke fricties en godsdienstig geïnspireerde miserie mee in rekening brengen.

De publieke moraal moet op zoek naar, wat Rawls noemt :’de overlappende consensus.’ Die laat zich moeilijk vinden als beide zijden van het spectrum emotioneel gekleurde verwijten – racist tegenover naïeve Gutmensch bijvoorbeeld – staan te roepen. Dit lijkt misschien op een pleidooi om niet te polariseren en dan maar ergens in het midden uit de wind te gaan staan. Dat is het uitdrukkelijk niet. Wat mij betreft, mag men stevige en zelfs diametrale posities innemen, anders worden er toch maar watten in de mond genomen. Het is ook geen pleidooi, noch voor minder, noch voor meer opvang – en wat u daarvan moet vinden, beslist u zelf wel –  maar het is een uitnodiging om twee soorten ethiek niet te mixen. Dat zorgt voor emotionaliteit in een debat dat in feite helderheid en voortschrijdend inzicht zou moeten verschaffen om oplossingen te genereren.


3 reacties

14/2 Valentijn op rijpere leeftijd

Mijn vrouw houdt voor de derde keer deze maand halt bij een etalage van een handeltje in juwelen die er uitzien alsof ze al eens gebruikt zijn. Vintage schijnt dat te heten. Zoiets al design, maar dan ouder en ook wel een beetje versleten.

Ze wijst me telkens hetzelfde paar oorbellen aan en informeert me: kijk, die daar hé, dàt zijn nu eens prachtige juweeltjes. Ze schitteren, en toch sober zonder overdaad, je moet het maar doen, geeft ze me mee als inkijkje in de hogere juwelierskunsten.

Ik heb er jaren over gedaan en helemaal krijg ik het waarschijnlijk niet meer onder de knie, maar dat kan niet anders zijn dan wat men in cursussen ‘emotionele intelligentie’ een signaal noemt. De dieper gelegen gewelven van de vrouwelijke psyche zijn meestal zo slecht verlicht dat ik vrijwel meteen de weg kwijt ben. Mocht je in die catacomben wel de weg weten dan vind je blindelings een  kamer vol duidelijke wensen, simpele verlangens en evidente verwachtingen.  Maar helaas, donker hé, en vooral, geen richtingaanwijzers; het is belangrijk dat je het op eigen kracht vindt. Het moet zijn dat vrouwen zich, na enkele jaren huwelijk, bij dat manco neerleggen en dan maar het zoveel stroever werkende mannelijk breinmechanisme een extra zetje geven. Zo’n signaal wil dan wel eens licht in de duisternis brengen.

Maar verdorie, Valentijn mag dan al een door de middenstand opgeklopte hype zijn, zij is het meer dan waard. Spaargeld brengt toch niks op tegenwoordig. Dus, geen geleuter over klein pensioen en reserve aanleggen voor het zorgtehuis later; daden moeten er hier gesteld worden. Op rijpere leeftijd nog eens scoren als een verliefde puber met een verrassingscadeau, het geeft een mens energie, verwarmt de stramme knoken en doet de sappen vlotter stromen.

De gepantserde beveiliging die meer leek gekost te hebben dan heel het onooglijke winkeltje is ook een signaal, maar mijn puberbrein valt niet te stoppen. Ik wijs het verlangde kleinood aan, bekijk het aandachtig alsof ik een taxateur van Sotheby’s ben en stel pas dan, alsof het over een verwaarloosbaar detail gaat, de quantakosta-vraag. Vijfendertigduizend mompelt hij zachtjes. Misschien zag hij mijn pupillen vernauwen, want “ Voor de twee hé “ lispelt hij geruststellend.

Ik denk me te redden met “ Toch beter dat mijn vrouw zelf kiest,“ maar hij heeft natuurlijk  veel meer ervaring dan ik. “Oh, maar mevrouw kan altijd wisselen en kiezen voor een ander stuk hoor,” is waarschijnlijk zijn revanchepleziertje, want hij lijkt me een als-je-moet-vragen-wat-het-kost-kan-je-het-niet-betalen-type.

Waarom zetten ze dat niet op de etalage?

 

 

 

 

 

 


2 reacties

Rechten, laten we er omzichtig mee omspringen.

Toen ik laatst een kop in de krant zag dacht ik eraan dat wij niet altijd zorgzaam omspringen met onze gekoesterde rechten. Of dat we het begrip toch minstens semantisch aan het uithollen zijn. Het zou niet het eerste woord zijn dat uiteindelijk helemaal niets meer betekent.

De krant kopte dat het ziekenfonds zou tussenkomen in het bekostigen van sekswerkers voor mensen met een beperking, want ‘daar hadden zij toch recht op.’ Uiteindelijk ging het enkel om een mager bedrag voor een consult van een therapeut. Maar dat is mijn punt niet, want Ik vind het een prima maatregel; het is hen gegund.

Waar ik vraagtekens bijplaats is de bijna constante stroom rechten waarover wij zouden moeten beschikken volgens mensen die waarschijnlijk van zichzelf vinden dat ze hoge morele standaards hanteren. Het recht van de een is nochtans de plicht, of minstens de taak, van de ander. Als je iemand een recht op iets geeft, dan is er iemand die dat iets moet leveren. En in het geval van die sekswerkers wordt dat wel heel tastbaar. Zij worden betaald om diensten te leveren. Mijn loodgieter ook, maar dat betekent nog niet dat ik rechten kan doen gelden op probleemloos douchen. Ik geef opzettelijk een loodgieter als voorbeeld omdat ik ook al gehoord heb over mensenrecht op zuiver water en zelfs op toiletten. Daar bedoel ik niet mee dat we ons niet zouden moeten beijveren om waterputten te helpen financieren, maar dat we iets zuiniger moeten omspringen met de woorden. Zeker als het gaat over woorden die een waardevolle lading te dekken hebben.

Rechten zijn namelijk zelden gratis. En laat dat nu net het probleem zijn, want politici en vooral mensen die constant morele vergezichten lopen aan te wijzen, hebben het haast nooit over het prijskaartje. En zeker niet over degene die de rekening aangeboden krijgt natuurlijk. Op die vraag hebben ze meestal wel een antwoord klaar, dat wel. Vaak zijn het variaties op: de rijken, de 0.1%-ers, de belastingontduikers of de superrijken. Uitstekend idee, dat zou inderdaad nog eens een oplossing zijn. Laat het me weten als je een systeem gevonden hebt om dat probleemloos af te dwingen zonder economische neveneffecten of kapitaalsvlucht en installeer meteen ook de wereldvrede.

Allerlei soorten rechten worden ook slordig door elkaar gehusseld. Om theoretisch over mensenrechten te beschikken moet je alleen maar geboren worden, je hoeft daar verder niets voor te doen. Maar die worden vlotjes verward met burgerrechten. Je hebt burgerrechten omdat je burger van een land bent. En daar staat wel iets tegenover. Dat je bijvoorbeeld minstens de daar geldende wetten en liefst ook de geplogenheden respecteert.

Begrijp me niet verkeerd. Ik pleit niet voor een cynische wereld zonder idealen, ook al zijn die niet allemaal haalbaar. Ik beweer dat het te gemakkelijk is telkens een ethisch heuveltje  te bestijgen als je ergens een onrecht bespeurt. Ga je voor meer rechtvaardigheid? Vooral doen, maar zeg er dan bij hoe je het gaat betalen of realiseren. Ga je het financieren, door de wachtrijen in de psychiatrie nog iets langer te maken of ga je nog meer cultuursubsidies beknotten? Als je oproept om meer vluchtelingen te helpen, ga je dan ook uitleggen wat je met ingevoerde religieuze groepseisen gaat doen? Kwestie van te voorkomen dat mensen gaan uithuilen bij populisten.

Rechten blijken in handen van sommige rechthebbenden nogal vatbaar voor interpretatie. Godsdienstvrijheid bijvoorbeeld is zo’n fundamenteel recht dat vaak opgerokken raakt tot een recht om niet beledigd te worden. Een zelfgefabriceerd recht op lange tenen hoeven we niet te honoreren.

Toegegeven, het is niet eenvoudig. Deel zo veel mogelijk rechten uit, maar weet dat ze niet gratis zijn. Noch financieel, noch qua impact. Misschien moet we voor politici en bestijgers van The Moral Highground een app’je maken dat alarm slaat zodra je iets belooft zonder te zeggen hoe je het gaat realiseren.

 

 


2 reacties

Politicus, een hondenstiel.

Soms krijg je ze in de loop van het jaar voorgeschoteld, zoals de iconische foto van de kleine Aylan die met zijn rood T-shirtje op een Grieks strand zo intens verdronken en dood lag te wezen, of de kleine Omran uit Aleppo die met z’n bestoft gezichtje in de ambulance het begrip ‘wezenloos voor zich uitstaren’ beklemmend illustreerde. Soms wachten ze tot de paukenslag van kerstmis om je te raken en kraken, zoals het filmpje met de dikke traan van Kristina die niet mee kon met de vriendinnetjes op winteruitstap, omdat ze werd afgevoerd naar een gesloten asielcentrum. Hoe dan ook, speciaal voor dit soort wanklanken in je hoofd vond Festinger de uitdrukking ‘cognitieve dissonantie’ uit. Want,  ofwel vond je altijd al dat verworpenen der aarde moeten geholpen worden, maar weet je dat je ze niet allemaal kunt helpen; ofwel vond je altijd al dat de grenzen potdicht moeten en dan is zo’n beeld sterk genoeg voor een flinke barst in je harnas.

Het abstracte botst met het concrete niveau en dat geeft herrie in je hoofd. Onoplosbaar zijn ze, dit soort confrontaties tussen goede bedoelingen en realiteit, tussen hart en hoofd, tussen goed en kwaad. Want zo hebben we ze gaarne in de wijsbegeerte, een probleem moet onoplosbaar zijn anders beginnen we er niet aan; je moet er toch minstens een paar eeuwen mee zoet zijn.

Neen, dan hebben politici een opgejaagder leven. Ter rechterzijde verwijten ze je softheid en gebrek aan durf, want je hebt veel te weinig uitzettingen gedaan en je hebt verdorie meer migranten binnengelaten dan Elio Di Rupo, stel je voor. Ter linkerzijde hullen ze zich in een wereldvreemd parfum van morele superioriteit en maken je persoonlijk proces als mens. En je eigen achterban? Die zou je wel willen steunen maar ze brengen enkel een gepiep voort door die krop in de keel en dat lawaai in hun hoofd. Politicus, een hondenstiel moet het zijn.

Heb je ze bezig gezien, de oppositie? Een roedel bloeddorstige wolven gaat ten slotte nog voor een eerlijke broodwinning; die moeten ook eten. De intellectuele oneerlijkheid en het compleet terzijde schuiven van elke realiteitszin gaf weer een mooi spektakel. Niet dat ik me nu geneigd voel mijn eindige voorraad empathie aan te spreken, want moest de politieke situatie 180° gekeerd zijn, dan zagen we een even wansmakelijk theaterstukje, met de aanvallen in tegenovergestelde richting.